Samenvatting van de foto's en teksten in de glazen container.

Pracht en Praal




1 Het Generaalshuis.

Het Generaalshuis is tegenwoordig de entree van het Theater aan het Vrijthof. Het werd in 1804 in opdracht van de rijke ondernemer De Ceuleneer gebouwd op de plek van de kerk van de Wittevrouwen.
Het woonpaleis omvatte twee ruime appartementen. Die waren niet boven, maar naast elkaar gesitueerd achter de brede, neo-classicistische gevel. In de jaren 1830 werd het gebouw bewoond door de roemruchte generaal Dibbets, waarna het bekend bleef als ‘Generaalshuis’.
Later verloor het gebouw zijn woonfunctie en kende het talloze publieke bestemmingen: bibliotheek, gemeentearchief, politiebureau en vanaf 1992 theater.



2 Het Stadhuis.

Het Maastrichtse stadhuis werd in de 17e eeuw gebouwd naar een ontwerp van de Hollandse architect Pieter Post. Post ontwierp niet alleen het gebouw, maar ook de directe omgeving. De vorm van de Markt draagt nog altijd zijn stempel.
Het stadhuis doet met zijn zware architectuur een beetje on-Maaslands aan. Het was dan ook vooral bedoeld als illustratie van de (Hollandse) ‘Gouden Eeuw’. De buitenkant is rijk versierd, maar doet nog eenvoudig aan vergeleken met het interieur van het bestuurspaleis.
Dat werd in de loop van de 17e en 18e eeuw een waar pronkstuk met wandtapijten, goudleerbehang, stucwerk en schilderstukken.



3 Pand aan de Brusselsestraat van de Zoutfabriek.

De ‘zoutfabriek’ aan de Brusselsestraat begon zijn bestaan in de eerste helft van de 19e eeuw. In een rijke en krachtige neo-renaissancestijl die enigszins Italiaans aandoet, verscheen aan de straatzijde het hoofdgebouw, waarin de woning van de directeur-eigenaar en de kantoren waren ondergebracht.
Achter de voorbouw bevond zich de eigenlijke fabriek, waar ruw zout werd opgelost in water en ingedampt tot bruikbaar zout. De fabriek heeft bestaan tot in de jaren 1950. Daarna is het grootste deel van de gebouwen verdwenen om plaats te maken voor het Herdenkingsplein.
De gevel van de voorbouw domineert nog altijd het middendeel van de Brusselsestraat.



4 Kanunnikenhuis Veldekeplein

Op het graf van Sint Servaas ontstond al snel een pelgrimsoord. Het werd ‘beheerd’ door een priestergemeenschap, het ‘kapittel van Sint Servaas’. Dat functioneerde eeuwenlang als een soort mini-staatje; binnen Maastricht functioneerde het enigszins als het huidige Vaticaanstad binnen Rome.
De Sint Servaasbasiliek was uiteraard het hart van dat mini-staatje. Daaromheen bouwden de rijke kanunniken hun stadspaleisjes.
Vooral in de 18e eeuw verschenen er pronkjuweeltjes met schitterende siertuinen. Nog altijd ademt het Henric van Veldekeplein de verstilde sfeer van oude rijkdom. De paleisjes worden bewoond, maar doen ook vaak dienst als kantoor.



5 Huis De Stuers

Jonkheer Victor de Stuers staat bekend als de grondlegger van de Nederlandse monumentenzorg. Hij was geboren in Maastricht en bracht zijn jeugd door aan de Brusselsestraat.
Het nog bestaande ‘huis De Stuers’ is gebouwd aan het einde van de 18e eeuw en heeft een opvallend brede gevel.
De rijk geornamenteerde interieurs zijn deels bewaard gebleven. Tegenwoordig is op deze inspirerende lokatie o.a. de Academie van Bouwkunst ondergebracht.



6 Hooghuis Regout met poort en koetshuis

Petrus Regout was de meest succesvolle Maastrichtse ondernemer van de 19e eeuw. Zijn industriële imperium begon in 1834 aan de Boschstraat met glasfabricage, maar al snel kwam daar aardewerk bij.
Vanaf 1850 groeiden zijn bedrijven met ongelooflijke snelheid. Regout werd een van de rijkste mensen in de wijde omtrek en dat was te zien aan de architectuur van zijn bedrijven.
Aan de Boschstraat verscheen tussen 1860 en 1870 de ene na de andere ‘paleisgevel’. Achter een van die gevels bevonden zich winkels, toonzalen en kantoren van de fabrieken. Het was een van de hoogste gebouwen van de straat. Niet onterecht heette het daarom het ‘Hooghuis’.
Naast het Hooghuis bevond zich de rijk vormgegeven fabriekspoort van zijn bedrijfscomplex dat later bekend zou worden als ‘De Sphinx’. De poort bestaat nog altijd, het Hooghuis zelf maakte rond 1935 plaats voor nieuwe fabrieksgebouwen.



7 St Jan

De gotische Sint Janskerk was oorspronkelijk een parochiekerk. Opvallend is de enorme toren die iets jonger is dan de rest van het kerkgebouw. Het is duidelijk dat de toren tot doel had het stadssilhouet op een ongekende manier te verrijken. Dat is gelukt - de toren is op de schoorsteen van cementfabriek ENCI na, nog altijd het hoogste gebouw van Maastricht.
Vanaf de 17e eeuw werd de Sint Janskerk gebruikt voor de protestantse eredienst. Het uiterlijk van het gebouw veranderde niet veel, maar binnen werd door het verwijderen van de meeste heiligenbeelden, muurschilderingen en andere ornamentele geloofsuitingen een rustig gebouw geschapen.
Een enorm praalgraf in het koor van de kerk doorbreekt deze rust echter op een opmerkelijke manier (het praalgraf is niet zichtbaar in de miniatuur).



8 Hof van Tilly

Maastricht was een vestingstad van formaat. Letterlijk en figuurlijk. Aan de functie van gouverneur van de vesting Maastricht was, zeker tussen 1650 en 1800, het nodige prestige verbonden. De functie werd dan ook meestal bekleed door militairen van adel.
Een van hen, de graaf van Tilly, liet aan de Grote Gracht een intiem woonpaleisje bouwen dat vanaf de straat bijna niet te zien was. Als de bezoeker de poort door was gelopen ontvouwde zich voor zijn verbaasde ogen een ruim binnenplein, omringd door rijk versierde gevels van woonvleugels, koetshuizen en paardenstallen.
De chique sfeer werd mede bepaald door een monumentale fontein. De ‘Hof van Tilly’ is aan het einde van de 19e eeuw ingrijpend verbouwd tot onderwijsgebouw, maar de structuur en de sfeer zijn zeker sinds de laatste restauratie goed bewaard gebleven.


Arm en Schraal




9 Armenhuisjes Lang Grachtje

In Maastricht werd vanaf 1229 gewerkt aan de bouw van een eerste stadsomwalling. De eerste muur omsloot de bebouwing maar net. Omdat de stad in de 13e eeuw hard groeide werd minder dan een eeuw later de bouw van een veel ruimere ommuring noodzakelijk. Toen die voltooid was, werd de eerste muur gedegradeerd tot reservestelling. Er mocht niet tegen de muur gebouwd worden en de stadspoorten bleven bestaan.
Bij de bouw van het stadhuis op de Markt (vanaf 1660) verdwenen de eerste delen van de eerste stadsmuur. In de loop van de 18e eeuw werden ook alle stadspoorten neergehaald. Behalve de Helpoort, die in de 17e eeuw een nieuwe functie kreeg als magazijn voor buskruit.
Grote delen van de eerste muur bleven echter bestaan tot de dag van vandaag. Zoals de muur aan het Lang Grachtje, waartegen in de loop van de tijd een hele rij kleine armenhuisjes was verrezen. De huisjes verdwenen (op één na) in het begin van de 20e eeuw, waardoor de muur weer zichtbaar werd.



10 Straatje van Genetelle

De grote fabrieken in het noorden van de stad trokken duizenden ‘arbeiders’. Onder vaak miserabele omstandigheden woonden ze met hun familie in appartementjes en éénkamerwoningen van ‘huisjesmelkers’.
Een van die ‘huisjesmelkers’, een zekere Genetelle, bouwde in de jaren rond 1825 een perceel tussen de Sint Antoniusstraat (tegenwoordig de Sint Teunisstraat) en het Bassin zo vol mogelijk met kleine huurwoningen. De ongelooflijk kleine huisjes waren toegankelijk via een steeg van maar twee meter breed, waardoor er amper daglicht in de interieurs doordrong.
Een eeuw na de bouw werd het ‘Straatje van Genetelle’ onbewoonbaar verklaard. Sommige huisjes werden gesloopt, andere kregen een tweede leven als berging of, na het uitbreken van de gevel, garage.
In het kader van de totale sloop van het Boschstraatkwartier werden de laatste huisjes in de jaren 1960 van de kaart geveegd.



11 Armenhuis

‘Hij die de armen geeft zal geen gebrek lijden’, zo staat er boven de rijkversierde ingang van het grote gebouw aan de Grote Looiersstraat dat tegenwoordig deel uitmaakt van de universiteitsbibliotheek.
Het Rooms-Katholieke armenhuis werd gebouwd in de 18e eeuw, maar heeft maar kort als zodanig gefunctioneerd. Al aan het einde van de eeuw werd het een militair hospitaal en moesten de armen vertrekken.



12 Cellebroedersklooster ( Bank van Lening)

Achter de bebouwing van de Brusselsestraat bevindt zich een van de pareltjes van Maastricht: de Cellebroederskapel. De kapel met zijn prachtige gewelfschilderingen behoorde bij het klooster van de Cellebroeders. Het was een van de talloze kloostergemeenschappen die tot 1796 de stad bevolkten. In dat jaar werden alle religieuze gemeenschappen door het Franse revolutionaire bestuur opgeheven en de gebouwen en bezittingen verkocht.
Het Cellebroedersklooster werd in de 19e eeuw een ‘bank van lening’, een pandhuis. Je kon er iets kostbaars ‘in leen’ geven, en ontving er een bedrag voor. Later kon dat met rente worden terugbetaald, en het onderpand weer worden meegenomen.
Blijkbaar was het geen functie die instond voor het behoud van het kleine klooster. In de jaren 1940 was het klooster zo bouwvallig dat besloten werd het maar af te breken.



13 Boschbarakken

Maastricht werd eeuwenlang omsloten door een enorme gordel van verdedigingswerken. De bastions, ravelijnen en kazematten konden alleen effectief een belegeraar weerstaan als ze met voldoende manschappen verdedigd konden worden. De soldaten werden vanaf het einde van de 17e eeuw ondergebracht in kazernes die speciaal met dat doel waren gebouwd.
Deze ‘barakken’ waren opvallend lange gebouwen die in het stadsbeeld een dominante rol speelden. Na de opheffing van de vesting in 1867 kwamen de kazernes vrij en werden meestal verkocht. Ze kregen meestal een nieuwe functie als huisvesting voor de minder rijke Maastrichtenaren.
In de eerste helft van de 20e eeuw verdwenen de voormalige ‘barakken’ uit het straatbeeld. De gebouwen waren uitgeleefd en werden onbewoonbaar verklaard. De Boschbarakken verdwenen van de kaart omstreeks 1940 en werden tien jaar later vervangen door een rij huizen in de karakteristieke na-oorlogse stijl van de Delftse school.



14 Huis aannemer Klein

In de loop van de 19e eeuw werd de verhuur van kleine woningen in Maastricht een lucratieve bezigheid waar heel wat zakenlieden zich mee bezig hielden. Voor een appel en een ei kochten ze kleine en grote panden waarin ze kleine wooneenheden onderbrachten voor de families die in de Maastrichtse industrie werkten.
Aannemer Klein was zo’n verhuurder. Hij bezat in de omgeving van de Boschbarakken en de Maagdendries een aantal kleine panden. In een ervan woonde hij zelf, de rest werd verhuurd. Het waren vaak huisjes van één bouwlaag en een zolder. Eén dergelijk huis is bewaard gebleven, enigszins verborgen achter de bebouwing aan Achter de Barakken. Het staat op de nominatie om gesloopt te worden.



15 Huisje op Misericordeplein

Een hele strijd ontbrandde een jaar of twintig terug over het ‘Huys in den Tuin’. De gemeente wilde het slopen, maar daar waren heel wat mensen het niet mee eens. Want was het een zeldzaam 16e eeuws gebouw of ‘maar’ een 18e eeuws huisje?
Uiteindelijk bleek het een heel klein woonhuisje uit de 18e eeuw, waarin oudere onderdelen waren gebruikt. Het huisje overleefde de strijd, werd op eigentijdse manier gerestaureerd en ingericht als kantoorruimte.
Het miniatuurtje is verder uitgewerkt dan de andere, omdat goed te reconstrueren was hoe het huisje eruit zag in de 19e eeuw. De regenton, de gevelsteen met zwarte hond, de buitentrap en het kelderluik zijn voor de goede kijker zichtbaar.



16 Huis glasslijpers Sphinx

Industrieel Petrus Regout wist als geen ander dat het succes van zijn ondernemingen afhing van zijn produkt. Als het geproduceerde kristal en aardewerk niet zou verkopen zouden zijn bedrijven immers tot mislukken gedoemd zijn. Voor het maken van goede produkten waren goede vaklieden een eerste vereiste. Anders dan vaak gedacht wordt, waren dat lang niet altijd arme sloebers die zich al ploeterend door het barre leven in de vuile industriestad voortsleepten.
Zo legde Regout de onmisbare glasslijpers behoorlijk in de watten. De veelal uit Waalse fabrieken weggekochte ambachtslieden bracht hij onder in ruime en lichte appartementen aan de Boschstraat, vlakbij hun dagelijkse werkplek.
De gebouwen met hun frisse, witgesausde gevels, waren in een opmerkelijke neo-18e eeuwse bouwstijl vormgegeven. In de jaren 1930 verdwenen de laatste onder de slopershamers.


Naar"foto's"